Amsterdam - Thuishaven

Door Ton Heijdra

In het Oostelijk Havengebied werd vroeger, op een paar woningen van kapiteins en beveiligers na, niet gewoond. Toch moesten de zeelieden en havenarbeiders ergens wonen. Dit gebeurde vooral in de omringende wijken, met name de Oostelijke- en Westelijke Eilanden.

Ook in de nieuwe wijken buiten het oude stadshart, die aan het eind van de negentiende eeuw en begin twintigste eeuw werden aangelegd, vestigden zich veel mensen uit de haven. Het zal dan ook wel geen toeval zijn geweest, dat een van de nieuwe buurten aangrenzend aan het havengebied straatnamen uit Nederlands Oost-Indië kreeg: de Indische Buurt. Deze buurt werd gebouwd in een deel van de Outerwaler- of Overamstelse polder. Tot 1896 behoorde deze polder nog gedeeltelijk tot de gemeente Diemen en de gemeente Nieuwer Amstel. Op 24 maart 1897 werd het uitbreidingsplan vastgesteld. Hoewel het plan een paar jaar later weer enigszins werd gewijzigd lag de structuur van de Indische Buurt hiermee vast. Het betekende min of meer een voortzetting van de Dapperbuurt met haar lange en smalle straten.

De nieuwe buurt werd in officiële stukken aangeduid met buurt ZZ. Al gauw sprak men echter van de Archipelwijk of de Indische Buurt. Op 10 mei 1900 kwam het gemeentebestuur namelijk met een voorstel om de straten naar eilanden in Nederlands Oost-Indië te noemen: Java, Borneo, Riouw, Molukken, Sumatra, Celebes, Atjeh, Bali, Madura, Banka, Deli en Lombok. Een niet onlogische keuze met het aangrenzende Oostelijk Havengebied. In de gemeenteraad stond de voordracht van het college dan ook niet ter discussie. Op 30 mei werd deze zonder hoofdelijke stemming overgenomen.

Het eerste deel van de buurt is in rap tempo gebouwd. De straten die aangelegd werden, waren smal en enigszins gebogen. Alleen de Javastraat sprong eruit. Deze straat legde men aan op de plek van een oude molensloot en kreeg in het midden een polderriool. Hierdoor was deze straat iets breder en werd de Javastraat dé centrale winkelstraat van de Indische Buurt.

Het waren in het begin vooral particulieren die bouwden. In 1902 trad echter de woningwet in werking en kregen verenigingen en stichtingen, die in het belang van de volkshuisvesting wilden werken, de mogelijkheid om geld van het Rijk te lenen. De coöperatieve bouwvereniging Rochdale, die opgericht was door arbeiders van de paardentram bouwde in 1911 samen met architect J.E. van der Pek tussen de 1e Atjehstraat en Balistraat achtentachtig woningen. Er waren meer woningbouwverenigingen die in de Indische gingen bouwen: het Amsterdamsch Bouwfonds, Eigen Haard, de Bouwmaatschappij ter verkrijging van Eigen woningen, Het Oosten en de Arbeiderswoning. Deze laatste maatschappij schakelde hiervoor de beroemde architect H.P. Berlage in.

De woningbouw in de Indische Buurt beperkte zich tot 1920 voornamelijk tot het gebied rond de Javastraat, dat daarom ook wel de Oude Indische Buurt wordt genoemd. Over de invulling van de rest van het gebied bestond grote onenigheid. Wethouder Monne de Miranda riep een commissie in het leven die aan de twisten een einde maken. De taak van deze commissie was om een ´harmonische bebouwing´ en ´een goed stadsbeeld´ te verzorgen, dat goed aansloot op de al bestaande bebouwing van de buurt. Deze commissie werd uiteindelijk verantwoordelijk voor de uitwerking van het stratenplan. Het voorstel waar de commissie op 22 februari 1923 mee kwam, werd daadwerkelijk uitgevoerd en vormde de basis van het huidige stratenpatroon voor wat ook wel de Nieuwe Indische Buurt wordt genoemd. De bouw gebeurde tussen 1923 en 1934 in rap tempo door particuliere projectontwikkelaars en sloot aan bij de toen heersende architectuurstijl van De Amsterdamse School waarbij veel aandacht was voor de detaillering van de gevel. De kwaliteit van de bouw liet echter nogal wat te wensen over. Er was sprake van zwendel waarbij slechte bouwmaterialen en te korte heipalen werden gebruikt.

Net als in de Oude Indische Buurt kregen de nieuwe kwadranten namen uit Oost-Indië. Dat waren aardrijkskundige namen. De nieuwe bewoners van de Indische Buurt waren zeker niet de armsten. De particuliere bouw had ervoor gezorgd dat er vooral kleine middenstanders, kantoorbedienden ambtenaren en de wat meer geschoolde arbeiders woonden. Een van de bekendste bewoners was de schrijver Bertus Aafjes, die op 12 mei 1914 op Borneostraat 32 werd geboren en de buurt met eigen ogen zag veranderen. In zijn boek ‘De Amsterdamse kijkdoos’ schreef hij over het leven in de buurt: over de scholen en het rijke roomse leven rond de nieuw gebouwde katholieke Gerardus Majellakerk. Een andere bekende bewoner is Joop van den Ende, die op 23 februari 1942 eveneens in een katholiek gezin werd geboren. Al jong organiseerde hij poppenkastvoorstellingen voor zijn vriendjes in de straat en toen hij wat ouder was werd hij lid van het Amsterdamse katholieke jongerentoneel. Hiermee legde hij de basis voor zijn latere grote musical- en theaterproducties.

Beste lezer, dit is slechts een zeer klein deel van de complete tekst die Ton heeft geschreven voor het boek Onze Indische buurten. Het boek zal in 2020 verschijnen. U kunt ons blijven volgen op deze website, waar geregeld nieuwe teksten en foto's komen, maar ook via onze Facebookpagina Indische buurten.

 

Fotoalbums

De volgende fotoalbums zijn beschikbaar: