Sittard-Geleen - 'De verdwenen Mijnkolonie'?

Door Dennis den Hartog

De geschiedenis van Geleen is onlosmakelijk verbonden met de mijnbouw van Staatsmijn Maurits die er gevestigd was tussen 1928 en 1968. Het verhaal van de Geleense mijnbouw begon in 1915 in een gedeelte van de gemeente dat in de volksmond de naam ‘Auw Kolonie’ draagt. Officieel heette dit gebied toen de Mijnkolonie Swentibold. Het bestond uit tien straten die waren verrezen ten noorden van de toekomstige staatsmijn Maurits. Alle tien de straten droegen namen van toenmalige Nederlandse koloniale bezittingen. Zodoende was de Geleense mijnkolonie een heuse Indische buurt, maar stond bij de bewoners niet zo bekend. Nu zijn, op de Javastraat en Surinamestraat na, alle Indische straten verdwenen. De ondergang van de Geleense mijnbouw in de jaren zestig luidde ook het einde in van de Indische buurt.

[...]

Bouwen aan een mijnkolonie

De ontwikkelingen tussen 1915 en 1920 verliepen in een razend tempo. Het gemeentebestuur had zichtbaar moeite met de omslag. De toestroom van honderden arbeiders en rijksambtenaren was moeilijk te faciliteren. Buiten dat er een woningtekort was, bestond er in de gemeente beperkte infrastructuur en waren er weinig voorzieningen voor deze mensen. Doorwerken en improviseren waren aanvankelijk de kerntaken. Dit viel terug te zien in het uitbreidingsplan dat in 1919 tot stand kwam. De gemeente Geleen kreeg hierbij hulp van andere omliggende gemeenten die dezelfde problemen ervaarden. Het uitbreidingsplan was een poging om binnen enkele jaren een volwaardige wijk te laten verrijzen ten noorden van de staatsmijn. De eerste bouwfase, genaamd Lutterarde I, zou de ontwikkeling zijn van een buurt rondom de bestaande huizen van de woonvereniging. Het plan voorzag de bouw van een tiental straten. In samenwerking met de bouwvereniging werd besloten dat in deze eerste fase 175 arbeiderswoningen gebouwd zouden worden. In juni 1919 werd dit plan goedgekeurd door de Geleense gemeenteraad. Het duurde echter nog tot september 1920 voordat de bouwvereniging haar voorziende lening kreeg van ƒ 96.500 voor de bouw van de huizen. Hetzelfde ontwerp werd gebruikt voor de 175 woningen die eerder al was gebruikt voor de eerdere 40 woningen. Tussen 1922 en 1924 verrezen deze huizen. Op 12 mei 1924 wist de gemeente Geleen te melden in het Limburgs dagblad: ‘ [er] komen bijna dagelijks nieuwe bewoners in onze gemeente. De laatste week een dertigtal. De kolonie ‘Swentibold’ is helemaal bewoond’. De wijk is uiteindelijk de Lindenheuvel gaan heten en stond grotendeels los van de kolonie Swentibold door haar unieke karakter. Met de voltooiing van de kolonie en de bouwplannen van de overige Lutterade fases op tafel moest de gemeente namen gaan toekennen aan de straten. De straatnaamgeving in gemeente was tot dit punt altijd traditioneel geweest. In december 1924 komt de raad bij om te bespreken hoe de gemeente namen moet toekennen aan de nieuwe straten. Een aantal leden pleitte voor een moderne straatnamencommissie, maar dat ging te veel kosten. Tijdens de vergadering ontstond er eerst discussie over de naam van de nieuwe kolonie ten noorden van de mijn. Onofficieel droeg het de naam Mauritskolonie, maar zoals een chauvinistisch raadslid naar voren bracht: ‘Er maar zeer weinig stemmen zijn om zoo’n naam aan te brengen’. Er wordt gewezen dat in de volksmond het historische figuur Swentibold, koning van middeleeuwse Lotharingen en begraven in Meersen, meer populariteit vergaard in de regio. De kolonie ging sindsdien verder als Swentibold. De namen van de straten werden niet veel later ook vast gesteld. De straten in de kolonie kregen namen van de grootste Nederlandse eilanden aangezien de mijnkolonie net zoals de Nederlandse kolonies, een soort kolonie van de gemeente was. Hierdoor werd er in december 1924 gekozen voor de namen: Javastraat, Timorstraat, Sumatrastraat, Curaçaostraat, Surinamestraat, Borneostraat, Celebesstraat, Floresstraat, Bankastraat en Lombokstraat. De keuze voor de namen laten een opvallende trend zien die zich voor deed in Zuid-Limburg. Het verzet tegen Hollands nationalisme in de vorm van historische Hollandse figuren, zoals Prins Maurits, was groot in Limburg. Opvallend is dat Nederlands nationalisme omarmd werd. Er bestond immers wel trots voor de Nederlandse koloniale bezittingen. De begrippen ‘Hollanders’ en ‘Nederlander’ waren kernbegrippen in de vorming van de identiteit van de buurt.

Dennis den Hartog heeft voor het boek Onze Indische Buurten een uitgebreid artikel geschreven. Volg deze website of onze Facebookpagina Indische buurten voor de verschijningsdatum.

Hedendaagse foto's (fotograaf John Buskes, secretaris van de Heemkundevereniging Geleen, d.d. 2 oktober 2018)

Historische foto's (Heemkundevereniging Geleen)